GIBB Plus, uw oplossing tegen ruwschilligheid bij appels.
    Uw zekerheid voor een jaarlijkse perenoogst

GIBB Plus is een plantengroeiregulator op basis van 10 g/l gibberelline (GA4/7).

Uw voordeel:

  • Bij peer: verbetert de vruchtzetting
  • Bij appel: vermindert de ruwschilligheid
  • Bij kersen: verbetert de vruchtkwaliteit
  • Bij naaldbomen: verbetert de kieming

Hoe toepassen?

  • Bij peren:
    • Bij lentenachtvorst voor de bloei: 0.6 l/ha GIBB Plus in de bloei
    • Bij lentenachtvorst in de bloei: onmiddellijk 3 tabletten GIBB 3 + 0.6 l/ha GIBB Plus
    • Geen lentenachtvorst: 0.6 l/ha GIBB Plus in de bloei
  • Bij appels:
    • 0.3 - 0.6 l/ha GIBB Plus aan het einde van de bloei; naargelang het ras 1 à 3 keer toepassen met een interval van 10 dagen

Praktische informatie

Inhoud presentatie met proefresultaten en praktische richtlijnen:

  • Samenstelling GIBB 3 en GIBB Plus
  • Achtergrond bij vruchtzetting peer
  • Advies bij vruchtzetting of vruchtdunning
  • Proefresultaten GIBB 3 en GIBB Plus bij lentenachtvorst
  • Aandachtspunten GIBB 3 en GIBB Plus

1. Praktische aanbevelingen Globachem voor GIBB Plus tegen vruchtverruwing bij appel

Aanbevelingen voor de toepassing, per variëteit

 Variëteit Tijdstip behandeling Dosis (l/ha)  Aantal behandelingen
met een interval van
ongeveer 10 dagen 
Golden Kloon B
Holsteiner Cox
Pinova 

Eind van de bloei

0,6 3x
Golden Reinders Eind van de bloei 0,4 3x 
Gala Eind van de bloei 0,3  2x 
Elstar
Cox
Eind van de bloei 0,3  3x 
Rubinette
Discovery
Alkmene
Eind van de bloei 0,3  2x 
Braeburn
Jonagold
Jonagored
Eind van de bloei  0,3  1 - 2 x

 

AANDACHTSPUNTEN

1. Temperatuur

De opname van gibberellinen door de planten varieert met de temperatuur.
GIBB 3 en GIBB Plus kunnen gebruikt worden vanaf 5°C.
Wanneer GIBB 3 en/of GIBB Plus na late nachtvorst gebruikt worden, is het belangrijk om binnen 48 uur na de vorst te behandelen, teneinde verdere schade aan het vruchtweefsel te voorkomen. Indien nodig kan in deze omstandigheden onder 5°C behandeld worden.

2. Noodzakelijke tijd om op te drogen

Gibberellines hebben minstens 4 uur nodig om geabsorbeerd te worden. Dus: gelieve niet te behandelen indien regen verwacht wordt in de volgende 4 uren.

3. Tijdstip in de dag

Het is belangrijk om niet te behandelen bij hoge temperaturen (>25°C), vermits het blad te snel zal opdrogen, waardoor de opname vermindert.
In zulke weersomstandigheden is het beter om ’s avonds te behandelen, zodat de vochtigheid van de dauw gebruikt wordt. Dit zal leiden tot een verbeterde opname en een grotere penetratie.

4. Tankmengsels van GIBB 3 met gewasbeschermingsmiddelen en bladvoedingen

Voor zover geweten is, zijn er, bij normaal gebruik, geen problemen met mengingen of compatibiliteit van GIBB 3 en/of GIBB Plus in tankmengsels met gewasbeschermingsmiddelen en bladvoedingen.
Indien ook nog behandeld wordt met ethefon en Regalis (prohexadion-Ca), gelieve dan een tijdsinterval van 3 tot 5 dagen te respecteren.

5. Waterhoeveelheid

De opname van GIBB 3 en GIBB Plus vindt plaats door de jonge vruchten. Daarom is een goede spuittechniek vereist en raden we minstens 500 liter water per hectare aan.

6. Advies bij de oplossing van de tabletten GIBB 3

De tabletten dienen in ca. 5 liter water gedurende ca. 15 minuten opgelost te worden. Daarna de oplossing in de spuittank brengen, voldoende roeren en binnen 4 uren verspuiten.

2. Praktische aanbevelingen Globachem voor GIBB 3 + GIBB Plus ter bevordering van de vruchtzettting bij peer

Wanneer toepassen?

GIBB 3 en GIBB Plus kunnen toegepast worden op peren na late nachtvorst in alle perenvariëteiten, behalve Clapp’s Favourite en Précose de Trévoux (wegens mogelijke fytotoxiciteit). Indien late vorst optreedt vóór de bloei, dan dient de behandeling uitgesteld te worden totdat 20 tot 50% van de bloemen geopend zijn. Indien de late nachtvorst optreedt tijdens of onmiddellijk na de bloei, dan dient zo spoedig mogelijk behandeld te worden.

Toepassing van GIBB 3 (gibberellinezuur GA3):

  • Tijdens slechte bloeiomstandigheden, te wijten aan koude/vochtige omstandigheden tijdens de bloei.
  • Onmiddellijk na de vorst (ideaal binnen 12 uur) om parthenocarpe vruchten te bekomen, waardoor het vruchtbeginsel intact blijft van de groene knop tot het einde van de bloei. Voor late nachtvorst die optreedt bij het begin van de bloei, dient 1 behandeling onmiddellijk en een tweede 10 dagen na de volle bloei plaats te vinden.
  • Aanplantingen met weinig bloemknoppen of knoppen van slechte kwaliteit: 1 behandeling wanneer 30% van de bloemen geopend zijn en een tweede na volle bloei.
  • In jonge aanplantingen (3 tot 6 jaar): geef een stimulus wanneer 30% van de bloesems geopend zijn.

Dosissen

GIBB 3 (gibberellinezuur GA3)

  • Minimum: 1 tablet per 120 liter water = 5-6 tabl./ha
  • Maximum: 1 tablet per 60 liter water = 10-12 tabl./ha

GIBB Plus (gibberellin GA4/7)

  • Minimum: 75 ml voor 100 liter water = 750 ml/ha
  • Maximum: 120 ml voor 100 liter water = 1.2 l/ha

In een tankmengsel van GIBB 3 met GIBB Plus

  • Minimum: 3-4 tabl. GIBB 3 & 600 ml GIBB Plus per ha
  • Maximum: 5-6 tabl. GIBB 3 & 750 ml GIBB Plus per ha

Aanbevelingen voor toepassing in peren, per variëteit

Variëteit

Aanbevolen toepassing

Conference
Concorde
Williams
Gellerts

In een tankmengsel van GIBB 3 met GIBB Plus 
- Minimum: 3-4 tabl. GIBB 3 & 600 ml GIBB Plus per ha
- Maximum: 5-6 tabl. GIBB 3 & 750 ml GIBB Plus per ha
In geval van strenge vorstschade, verdeel de maximale dosis over 1 of 2 behandelingen.

Alexander Lukas

In een tankmengsel van GIBB 3 met GIBB Plus 
- Minimum: 3-4 tabl. GIBB 3 & 600 ml GIBB Plus per ha
- Maximum: 5-6 tabl. GIBB 3 & 750 ml GIBB Plus per ha

Doyenné du Comice

GIBB Plus
- Minimum: 75 ml voor 100 liter water = 750 ml/ha
- Maximum: 100 ml voor 100 liter water = 1.2 l/ha

 

Algemene opmerkingen met betrekking tot de behandeling

  • De ergste misvormingen van de vruchten komen voor bij een behandeling met GA3 (GIBB 3); mengingen met GIBB Plus zijn daarom aan te raden.
  • Het vruchtzettend effect van GIBB 3 is groter dan dat van GIBB Plus
  • Voor sterk groeiende aanplantingen wordt aangeraden om de dosis van GIBB 3 te verhogen.
  • Gebruik de warmste uren van de dag voor de behandeling.
  • Watervolume: 500 à 1000 liter per hectare, afhankelijk van de hoogte van de bomen en de bladstand.
  • Ideale pH voor het tankmengsel: 5,5 à 6,5. Best is dus om niet met boor te mengen.
  • Gelieve te noteren dat bijkomende behandelingen om de groei te stimuleren (bv. ureum en boor), afzonderlijk dienen toegepast te worden.

 

AANDACHTSPUNTEN

1. Temperatuur

De opname van gibberellinen door de planten varieert met de temperatuur. 
GIBB 3 en GIBB Plus kunnen gebruikt worden vanaf 5°C. 
Wanneer GIBB 3 en/of GIBB Plus na late nachtvorst gebruikt worden, is het belangrijk om binnen 48 uur na de vorst te behandelen, teneinde verdere schade aan het vruchtweefsel te voorkomen. Indien nodig kan in deze omstandigheden onder 5°C behandeld worden.

2. Noodzakelijke tijd om op te drogen

Gibberellines hebben minstens 4 uur nodig om geabsorbeerd te worden. Dus: gelieve niet te behandelen indien regen verwacht wordt in de volgende 4 uren.

3. Tijdstip in de dag

Het is belangrijk om niet te behandelen bij hoge temperaturen (>25°C), vermits het blad te snel zal opdrogen, waardoor de opname vermindert. In zulke weersomstandigheden is het beter om ’s avonds te behandelen, zodat de vochtigheid van de dauw gebruikt wordt. Dit zal leiden tot een verbeterde opname en een grotere penetratie.

4. Tankmengsels van GIBB 3 met gewasbeschermingsmiddelen en bladvoedingen

Voor zover geweten is, zijn er, bij normaal gebruik, geen problemen met mengingen of compatibiliteit van GIBB 3 en/of GIBB Plus in tankmengsels met gewasbeschermingsmiddelen en bladvoedingen.
Indien ook nog behandeld wordt met ethefon en Regalis (prohexadion-Ca), gelieve dan een tijdsinterval van 3 tot 5 dagen te respecteren.

5. Waterhoeveelheid

De opname van GIBB 3 en GIBB Plus vindt plaats door de jonge vruchten. Daarom is een goede spuittechniek vereist en raden we minstens 500 liter water per hectare aan.

6. Advies bij de oplossing van de tabletten GIBB 3

De tabletten dienen in ca. 5 liter water gedurende ca. 15 minuten opgelost te worden. Daarna de oplossing in de spuittank brengen, voldoende roeren en binnen 4 uren verspuiten. 

Actieve stof

Gibberellin (GA4/7)

Werkingswijze

De actieve stof gibberellin (GA4/7) werkt als een groeiregulator vanwege zijn fysiologische en morfologische effecten bij extreem lage concentraties. Gibberelline wordt getranslokeerd.

Gebruik volgens de Pesticide Manual

De actieve stof gibberellin (GA4/7) heeft verschillende toepassingen, o.a.

  • Het verminderen van de vruchtverruwing bij appels;
  • Het verbeteren van de vruchtzetting bij peren;
  • Het verhogen van de kieming en de opbrengst bij selder

De dosissen van gibberellin (GA4/7) situeren zich rond 20 g/ha per behandeling.

Beschikbare formuleringen

Globachem kan u de volgende formuleringen aanbieden, gebaseerd op het actieve ingrediënt gibberellin (GA4/7):

  • Gibberellin 10 SL (gibberellin 10 g/l) – met water mengbaar concentraat
    Commerciële naam: GIBB Plus

Gebruiksaanwijzing

Op dit moment is GIBB Plus verkrijgbaar in België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

De gebruiksaanwijzing volgens het officiële etiket:

  • België: GIBB Plus (10 g/l gibberelline GA4/7) – in het Nederlands en Frans
    • Gebruik bij appels 
    • Gebruik bij peren
  • Duitsland: GIBB Plus (10 g/l gibberelline GA4/7) – in het Duits 
    • Gebruik bij appels 
    • Gebruik bij peren
  • Frankrijk: GIBB Plus (10 g/l gibberelline GA4/7) – in het Frans 
    • Gebruik bij appels 
    • Gebruik bij kersen
  • Verenigd Koninkrijk: GIBB Plus (10 g/l gibberelline GA4/7) – in het Engels 
    • Gebruik bij appels 
    • Gebruik op zaad van naaldbomen

Info vruchtverruwing

Achtergrond bij vruchtverruwing

Vruchtverruwing heeft verschillende oorzaken en kan, afhankelijk van de intensiteit, tafelvruchten sterk in waarde doen verminderen. In de meeste landen wordt de marktwaarde van de vruchten door de uiterlijke eigenschappen bepaald. Grootte, vorm, kleur en kwaliteit van de vruchtschil zijn kwaliteitsbepalende kenmerken. Met de interne kwaliteit van de vruchten wordt spijtig genoeg minder rekening gehouden. De schileigenschappen hebben een grote invloed op de bewaring van de vruchten. Ruwschilligheid daarentegen vermindert de interne vruchtkwaliteit niet.

Lenticellen in de vruchtschil

De vruchtschil van een appel bezit een ongelijkmatige oppervlaktekwaliteit. De buitenste cellagen zijn door een groeizame substantie bedekt en bouwen de zogenaamde cuticula. Zij is op haar beurt onderbroken door stippen, de zogenoemde lenticellen. Deze anatomisch bijzondere structuren beïnvloeden de dieperliggende cellagen en gelden als zwakke plekken van de vruchthuid (Krapf 1961). Lenticellen zijn een ideale ingangspoort voor schimmeld en zijn vertrekpunten van verscheidenen vlekken, zoals bv. Jonathan spot. Verder ontstaan er vaak kleine scheurtjes ter hoogte van deze huidopeningen, die hierop door een soort wondweefsel afgedekt worden, wat zich onder bepaalde omstandigheden verder kan ontwikkelen tot vruchtverruwing.

Biologische oorzaken van vruchtverruwing

De oorzaak van vruchtverruwing bestaat erin dat epidermiscellen op het moment van de celdeling afsterven. De cuticula scheurt op deze plaatsen. De vruchthuid bezit de capaciteit om wonden te helen en ter hoogte van deze beschadigde vruchthuid kurkachtig weefsel te bouwen. Bij verdere groei van de vruchten ontstaan er grote spanningen. Vermits deze verkurkte weefseldelen weinig elastisch zijn, ontstaan er nieuwe scheuren en een verdere bouw van kurkweefsel. Deze verkurkingen breiden zich verder en verder uit en worden herkenbaar als vruchtverruwing (Roemer 1961). Ter hoogte van de gladde epidermis verschijnt vaak een ruwe, schilferachtige vruchthuid, die een gedeelte van de vrucht of de ganse vrucht kan bedekken. Na lentenachtvorst ontstaan vaak zullen verschijnsels in de vorm van zogenoemde vorstringen en vorststrepen.

De sterke kurkvorming vermindert de celdeling en de celgroei op de beschadigde plaatsen. Daardoor ontstaan er misvormde vruchten met scheuren die tot diep in het vruchtvlees reiken.

Afbeelding 1. Doorsnede door een groene, gezonde huidoppervlakte van een “Boskoop”. Op de oppervlakte is de gladde, groeizame huidpartij (cuticula) zichtbaar. Daaronder volgt de epidermis (Krapf 1957).

Afbeelding 2. Doorsnede door een bruinige, leerachtige plek op de huidoppervlakte van een vorstring van dezelfde vrucht als in Afbeelding 1. Boven liggen afgestorven, afgevlakte en verkurkte huidcellen. Daaronder is in de gezonde celdelen een nieuw weefsel ontstaan dat kan delen (cambium). Dit cambium bouwt naar binnen nieuwe vruchtcellen en naar buiten (tegen de beschadigde oppervlakte) kurkcellen.

Gevoeligheid voor verruwing

Warme, droge dagen en dauwnatte nachten

De aloude theorie dat zeer warme, droge dagen die gevolgd worden door „bladnatte“ nachten verruwing veroorzaken, wordt bevestigd door de ervaringen van de laatste jaren. De combinatie van een temperatuur hoger dan 27°C en een relatieve vochtigheid minder dan 60% is een redelijke grens voor het optreden van klimaatstress. Deze combinatie is alleen schadelijk bij een dauwnatte nacht, waarbij het toenemende aantal uren dat het blad nat is, de gevoeligheid voor verruwing versterkt.

Genoemde situatie is de krimp- en rektheorie, die nog steeds klopt. Immers, bij extreme temperaturen kan de boom de vochtaanvoer naar de bladeren niet aan en onttrekken de bladeren vocht aan de vruchten, die op dat moment krimpen. ’s Nachts sluiten de huidmondjes en vermindert de verdamping. De vruchten zullen daardoor weer sterk groeien (rekken). Door de rek en krimp ontstaan scheurtjes in de vruchtschil. Vooral in combinatie met een dauwnatte nacht zwellen deze scheurtjes nog wat en ontstaat er uiteindelijk kurkweefsel op de wondjes. Dit wordt later zichtbaar als verruwing.

Gevoeligst kort na de bloei

De gevoeligheid voor verruwing is kort na de bloei het grootst en neemt af in de zeven weken erna. Hoe sneller na de bloei het weer extreem warm en droog is, des te gevoeliger de vruchten voor verruwing zijn. Procentueel heeft een net gezette vrucht namelijk veel grotere fluctuaties in rek en krimp dan een oudere vrucht. De aanwezigheid van een beursscheut beïnvloedt de mate van verruwing. Immers, de beursscheut zorgt voor verdamping en dus krimpt de vrucht meer. Om deze reden is het logisch dat kort na de afbloei de vruchten het gevoeligst zijn voor verruwing; de beursscheut is net ontwikkeld en de vruchten zijn nog het kleinst. Een vrucht met meer pitten trekt meer assimilaten naar zich toe, waardoor minder snel vocht uit de vrucht wordt getrokken en minder snel verruwing optreedt. Daarnaast groeit de vrucht sneller uit en wordt deze al snel minder gevoelig voor een groot procentueel verschil tussen rek en krimp.

Droogtestress versterkt

De combinatie van extreem weer én droogtestress versterkt de gevoeligheid voor verruwing. Droogtestress versterkt de mate van krimp, waardoor de mate van verruwing toeneemt. Daarom moet droogtestress gedurende de celdeling voorkomen worden en de gemiddelde zuigspanning in de wortelzone op 10 tot 25 kPa gehouden worden. Met in de namiddag een uur beregenen wordt de schade beperkt, mits de bomen droog de nacht ingaan. Ook kan in de ochtend een uur beregend worden om het tijdstip van extreme verdamping iets te verkorten. Overdag langdurig beregenen heeft alleen nadelen: de bladeren en vruchten vervuilen en de grond wordt te nat. Een proef in Randwijk in Nederland liet in 2000 na langdurige beregening juist meer verruwing zien.

Gisten secundair effect

Volgens DLV uit Nederland waren gisten de belangrijkste oorzaak van verruwing. Uit onderzoek in de jaren daarna blijkt dat gisten pas werkzaam zijn bij weersomstandigheden die door rek en krimp scheurtjes in de schil hebben veroorzaakt. Hierop vestigen de gisten zich, waardoor de wondjes meer verruwd vergroeien.

In 2000 – een jaar met veel verruwing – gaven vruchten bewust besmet met gisten meer verruwing dan onbehandelde vruchten. Bewuste besmettingen met diverse doseringen van de meest verruwende gist, konden in 2001 – een jaar met nauwelijks verruwing – onder verschillende relatieve vochtigheden niet meer verruwing veroorzaken. Hieruit blijkt dat gisten een invalspoort nodig hebben om hun verruwende werk te doen. Ze zijn geen primaire oorzaak, maar door de aanwezigheid van vocht zullen de gisten in de wondjes sterk groeien. Dit verklaart opnieuw de sterke invloed van dauwnatte nachten op de mate van verruwing.

Bespuitingen met fungiciden die goed werken tegen gisten, bleken in 2000 de mate van verruwing duidelijk te verminderen. De fungiciden werkten sterker op de bewust met gisten besmette vruchten. Hieruit mag geconcludeerd worden dat de fungiciden de hoeveelheid gisten onderdrukken. Het advies is om de klimaatomstandigheden in de periode van bloei tot zes weken na de bloei goed te volgen. Indien de omstandigheden dusdanig zijn dat er een grote kans is op haarscheurtjes in de vruchten, is het advies om de vruchtjes zo snel mogelijk erna af te dekken met een van de eerder genoemde fungiciden.

Tankmixen

De verruwingsproblemen roepen logischerwijs vragen op over het spuiten van tankmixen. Indien bv. koperpreparaten toegepast worden op het kritische moment voor verruwing , dan ontstaat er bijzonder grote schade.

In een vrij uitgebreide proef met diverse mixen van hoge doseringen ureum, mangaan, magnesium en zink zijn echter geen relaties gevonden tussen de mate van “reguliere” bladvoedingen in de tankmix en de mate van verruwing. Ook suggesties dat mangaan en zinkbespuitingen leiden tot meer verruwing zijn in proeven van het PPO in Randwijk (Nederland) niet bevestigd. Als bladvoeling had boor in een aantal proeven in het verleden juist een positief effect op de gladheid. Daarentegen zijn in België in het verleden ervaringen geweest dat hoge doseringen magnitra en kaliumnitraat in de celdelingsfase en bespuitingen met 750 g zinksulfaat per hectare per keer bij Jonagold de mate van verruwing sterk kunnen bevorderen. Doseringen van 150 g zinksulfaat per hectare per keer hebben dit nadeel niet. Op de voormalige proeftuin in Zeewolde (Nederland) was er meer verruwing na toepassing van kalksalpeter in de weken na de bloei. Ook kunnen ijzerchelaatbespuitingen op appel sterk verruwend werken, evenals de uitvloeiende stikstofbladvoeding Aminosol bij toepassing in de periode van volle bloei tot begin juni.

De pH van de tankmixen werd enkele jaren geleden een oorzaak van verruwing genoemd. In het verruwingsonderzoek werd niet aangetoond dat fungiciden die een hoge natuurlijke pH hebben, tot meer verruwing leiden?. Het aanzuren van de tankmix leidde niet tot minder verruwing. Hierbij blijft het argument dat een goede pH van de tankmix positief is voor de opname van bepaalde middelen, overeind staan.

In een andere proef is gekeken naar de relatie tussen het spuitmoment en de mate van verruwing . Deze relatie is niet gevonden. Dit mag echter geen reden zijn om gedurende de celdeling minder omzichtig om te springen met het weer tijdens de bespuitingen.

Vruchten in aanplantingen in het dal gevoeliger voor verruwing

Vruchten in aanplantingen in het dal zijn over het algemeen gevoeliger voor verruwing en ronder in vorm dan vruchten van aanplantingen die hoger gelegen zijn. Volgens Eccher (1985) is dit te wijten aan fysiologische bijzonderheden. De cellen van vruchten uit de hooggeleden gebieden zijn regelmatig qua grootte en door een dikke epidermis bedekt. Factoren die de verruwing bevorderen hebben bijgevolg in aanplantingen in het dal een sterke uitwerking dan in de hoger gelegen aanplantingen. Het onderzoek van Eccher toont verder dat de sterk verruwde vruchten uit de lagere aanplantingen minder gibberellines bevatten dan deze uit hoger gelegen aanplantingen. De gevoeligheid voor verruwing in het eerste stadium van de vruchtontwikkeling verandert met het toenemen en afnemen van de planteigen gehaltes aan gibberellines. Behandelingen met gibberellines hebben bijgevolg enkel een goede werking op het moment van de kritische fase voor verruwing.

Inzet gibberellinen na de bloei

Gibberellinen verminderen in diverse proeven steelholteverruwing. Nabloeibespuitingen hebben een sterker effect op de verruwing in de steelholte dan voorbloeibespuitingen.5 x 0,8 liter gaf een iets sterker effect dan 5 x 0,4 liter, maar de verschillen waren dusdanig gering dat het advies blijft om niet boven het totaal van 2 liter GA4/7 per hectare te spuiten, gezien het risico voor beurtjaren.

Met de GA4/7-behandlingen werd 10 tot 15% meer klasse I behaald door minder steelholteverruwing. Dit effect was niet statistisch betrouwbaar, maar in diverse proeven vergelijkbaar. Daardoor kan het effect van GA4/7 als betrouwbaar aangeduid worden. De bespuitingen kort na de bloei zijn waarschijnlijk belangrijker dan de bespuitingen later in de celdelingsfase. Het advies is om in de afbloei en zeven tot tien dagen later te spuiten met 0,4 liter GA4/7.

Nieuwe theorieën: gebrek aan winterrust en calcium oorzaken van verruwing?

Een gebrek aan winterrust en aan calcium worden oorzaken van verruwing genoemd. Er zijn vooralsnog geen aanwijzingen gevonden at de mate van winterrust onder Nederlandse omstandigheden een rol speelt in de verruwingsproblematike bij Elstar. Om de winterrust sneller te doorbreken worden wereldwijd enkele middelen gebruikt. Waterstofcyanamide is veruit het meest gebruikt. Gibberellinen worden ook genoemd, maar zijn minder efficiënt; er zijn zeer hoge doseringen nodig voor een beperkt effect. Hoewel calcium een belangrijk element is voor de vruchtkwaliteit, zijn er geen aanwijzingen dat calcium een rol speelt in de mate van verruwing. Op bedrijven waar traditioneel lage calciumgehalten in de vruchten voorkomen door de grondsoort, zijn de vruchten niet meer verruwd dan op bedrijven met een goed calciumgehalte. De tendens is eerder omgekeerd.

In het verleden is wel een duidelijke relatie gevonden tussen kaliumgebrek en verruwing. Percelen met kaliumgebrek hebben meer moeite om de vochthuishouding van de boom te reguleren en zijn daardoor logischerwijs gevoeliger voor verruwing.

Tot slot blijft het vanaf de bloei belangrijk nachtvorst te weren op basis van de natte-boltemperatuur. Na de bloei kan een lichte uitstralingsvorst al veel verruwing geven. In deze periode moet dan ook bij een natte-boltemperatuur van 0°C beregend worden, ondanks dat er geen ijs zal worden gevormd. Daarnaast blijft het belangrijk vroege aantastingen van spint en vooral roestmijt te voorkomen. Roestmijt verergert al snel verruwing in de steelholte. Ook wordt iedere Elstar-teler opgeroepen uit te kijken naar een gladde mutant voor Elstar.

Advies

Recent onderzoek heft een aantal aandachtspunten inzichtelijk gemaakt. Het advies is om goed de klimatologische omstandigheden te beoordelen en vooral oplettend te zijn bij zeer warme dagen gevolgd door dauwnatte nachten. Hierna worden handvatten aangedragen waarmee de teler de gevoeligheid voor verruwing kan verminderen. Maar het zal nog niet voldoende zijn verruwing geheel te voorkomen.

Zorg op het bedrijf voor een goede monitoring van de temperatuur en luchtvochtigheid. Controleer na een extreem warme dag op het lokale Mety/Metos-station of sprake is van een bladnat-situatie. Zo ja, spuit dan direct na de dauwnatte nacht met een fungicide dat tegen gisten werkt.

Verminder onder extreme omstandigheden de stressperiode door in de ochtend of late middag een uur te beregenen, zolang de mate van dauwnat in de nacht niet gestimuleerd wordt. Beregen overdag niet langdurig.

Voorkom dat bomen na extreem warme dagen langdurig nat zijn. Stel een eventuele watergift via de beregening uit totdat de temperaturen wat gematigder zijn.

Eventueel kan na de beregening gespoten worden met een fungicide tegen gisten. Zorg ervoor dat de zuigspanning in de wortelzone gedurende de celdeling op 10 tot 25 kPa blijft. Voorla percelen die nog voor een groot deel in de potgrond wortelen, zijn gevoelig voor een sterk wisselende zuigspanning in de wortelzone. Watermark-vochtmeters kunnen een goede hulp zijn. Bij een oplopende vochtspanning is het een voordeel om in of direct na de bloei te beginnen met fertigeren, maar de boom ervaart een te natte wortelzone hetzelfde als een te droge wortelzone.

Zorg voor een goede bestuiving. Plant hiervoor voldoende bestuivers en zorg voor een voldoende inzet van bijen.

Vijf keer spuiten met 0,4 liter GA4/7 om de tien dagen vanaf de afbloei vermindert e steelholteverruwing. De indruk is dat de eerste bespuitingen belangrijker zijn dan de latere bespuitingen. Spuit GA4/7 alleen bij een voldoende hoge termperatuur. Ook de inzet van boor na de bloei verbetert de gladheid.

Bladvoeding kan gewoon ingezet worden. Gebruik geen hoge doseringen nitraten en geen Aminosol tijdens de celdeling.

Voorkom vorstschade na de bloei door hiertegen te beregenen en voorkom aantastingen van roestmijt en spint.


Bronnen:

Jan Peeters, Holland Fruit Advies, Oude theorieën beste verklaring voor verruwing, “Fruitteelt”, 13, 29 maart 2002, Jaargang 92.
R.Schumacher, Die Fruchtbarkeit der Obstgehölze, Seite 199-201

Veelgestelde vragen