GIBB 3, uw zekerheid voor een jaarlijkse perenoogst.
Uw oplossing tegen azijnrot bij druiven.

GIBB 3 is een plantengroeiregulator op basis van 10% gibberellinezuur (GA3).

Uw voordeel

  • Bij peren: verbetert de vruchtzetting, vooral:
    • Direct na lentenachtvorst
    • Bij slechte weersomstandigheden tijdens de bloei
    • In jonge aanplantingen
  • Bij wijndruiven:
    • Vermindert azijnrot en botrytis
    • Lossere trossen
    • Betere wijnkwaliteit

Hoe toepassen?

  • Bij peren:
    • Na lentenachtvorst in de bloei: onmiddellijk 3 tabletten GIBB 3 + 0.6 l/ha GIBB Plus
  • Bij wijndruiven:
    • Bij het begin van de bloei tot nabloei (BBCH-Stadium 62-68): 15 tabletten per ha in 800 liter water per ha.
    • Bij regenweer de dosis verminderen tot 10 tabletten per ha

Praktische informatie

Inhoud presentatie met proefresultaten en praktische richtlijnen:

  • Samenstelling GIBB 3 en GIBB Plus
  • Achtergrond bij vruchtzetting peer
  • Advies bij vruchtzetting of vruchtdunning
  • Proefresultaten GIBB 3 en GIBB Plus bij lentenachtvorst
  • Aandachtspunten GIBB 3 en GIBB Plus

Wanneer toepassen?

GIBB 3 en GIBB Plus kunnen toegepast worden op peren na late nachtvorst in alle perenvariëteiten, behalve Clapp’s Favourite en Précose de Trévoux (wegens mogelijke fytotoxiciteit). Indien late vorst optreedt vóór de bloei, dan dient de behandeling uitgesteld te worden totdat 20 tot 50% van de bloemen geopend zijn. Indien de late nachtvorst optreedt tijdens of onmiddellijk na de bloei, dan dient zo spoedig mogelijk behandeld te worden.

Toepassing van GIBB 3 (gibberellinezuur GA3):

  • Tijdens slechte bloeiomstandigheden, te wijten aan koude/vochtige omstandigheden tijdens de bloei.
  • Onmiddellijk na de vorst (ideaal binnen 12 uur) om parthenocarpe vruchten te bekomen, waardoor het vruchtbeginsel intact blijft van de groene knop tot het einde van de bloei. Voor late nachtvorst die optreedt bij het begin van de bloei, dient 1 behandeling onmiddellijk en een tweede 10 dagen na de volle bloei plaats te vinden.
  • Aanplantingen met weinig bloemknoppen of knoppen van slechte kwaliteit: 1 behandeling wanneer 30% van de bloemen geopend zijn en een tweede na volle bloei.
  • In jonge aanplantingen (3 tot 6 jaar): geef een stimulus wanneer 30% van de bloesems geopend zijn.

 

Dosissen

GIBB 3 (gibberellinezuur GA3)

  • Minimum: 1 tablet per 120 liter water = 5-6 tabl./ha
  • Maximum: 1 tablet per 60 liter water = 10-12 tabl./ha

GIBB Plus (gibberellin GA4/7)

  • Minimum: 75 ml voor 100 liter water = 750 ml/ha
  • Maximum: 120 ml voor 100 liter water = 1.2 l/ha

In een tankmengsel van GIBB 3 met GIBB Plus

  • Minimum: 3-4 tabl. GIBB 3 & 600 ml GIBB Plus per ha
  • Maximum: 5-6 tabl. GIBB 3 & 750 ml GIBB Plus per ha

 

Aanbevelingen voor toepassing in peren, per variëteit

Variëteit

Aanbevolen toepassing

Conference
Concorde
Williams
Gellerts

In een tankmengsel van GIBB 3 met GIBB Plus
- Minimum: 3-4 tabl. GIBB 3 & 600 ml GIBB Plus per ha
- Maximum: 5-6 tabl. GIBB 3 & 750 ml GIBB Plus per ha
In geval van strenge vorstschade, verdeel de maximale dosis over 1 of 2 behandelingen.

Alexander Lukas

In een tankmengsel van GIBB 3 met GIBB Plus
- Minimum: 3-4 tabl. GIBB 3 & 600 ml GIBB Plus per ha
- Maximum: 5-6 tabl. GIBB 3 & 750 ml GIBB Plus per ha

Doyenné du Comice

GIBB Plus
- Minimum: 75 ml voor 100 liter water = 750 ml/ha
- Maximum: 100 ml voor 100 liter water = 1.2 l/ha

 


Algemene opmerkingen met betrekking tot de behandeling

  • De ergste misvormingen van de vruchten komen voor bij een behandeling met GA3 (GIBB 3); mengingen met GIBB Plus zijn daarom aan te raden.
  • Het vruchtzettend effect van GIBB 3 is groter dan dat van GIBB Plus
  • Voor sterk groeiende aanplantingen wordt aangeraden om de dosis van GIBB 3 te verhogen.
  • Gebruik de warmste uren van de dag voor de behandeling.
  • Watervolume: 500 à 1000 liter per hectare, afhankelijk van de hoogte van de bomen en de bladstand.
  • Ideale pH voor het tankmengsel: 5,5 à 6,5. Best is dus om niet met boor te mengen.
  • Gelieve te noteren dat bijkomende behandelingen om de groei te stimuleren (bv. ureum en boor), afzonderlijk dienen toegepast te worden.


AANDACHTSPUNTEN

1. Temperatuur

De opname van gibberellinen door de planten varieert met de temperatuur.
GIBB 3 en GIBB Plus kunnen gebruikt worden vanaf 5°C.
Wanneer GIBB 3 en/of GIBB Plus na late nachtvorst gebruikt worden, is het belangrijk om binnen 48 uur na de vorst te behandelen, teneinde verdere schade aan het vruchtweefsel te voorkomen. Indien nodig kan in deze omstandigheden onder 5°C behandeld worden.

2. Noodzakelijke tijd om op te drogen

Gibberellines hebben minstens 4 uur nodig om geabsorbeerd te worden. Dus: gelieve niet te behandelen indien regen verwacht wordt in de volgende 4 uren.

3. Tijdstip in de dag

Het is belangrijk om niet te behandelen bij hoge temperaturen (>25°C), vermits het blad te snel zal opdrogen, waardoor de opname vermindert. In zulke weersomstandigheden is het beter om ’s avonds te behandelen, zodat de vochtigheid van de dauw gebruikt wordt. Dit zal leiden tot een verbeterde opname en een grotere penetratie.

4. Tankmengsels van GIBB 3 met gewasbeschermingsmiddelen en bladvoedingen

Voor zover geweten is, zijn er, bij normaal gebruik, geen problemen met mengingen of compatibiliteit van GIBB 3 en/of GIBB Plus in tankmengsels met gewasbeschermingsmiddelen en bladvoedingen.
Indien ook nog behandeld wordt met ethefon en Regalis (prohexadion-Ca), gelieve dan een tijdsinterval van 3 tot 5 dagen te respecteren.

5. Waterhoeveelheid

De opname van GIBB 3 en GIBB Plus vindt plaats door de jonge vruchten. Daarom is een goede spuittechniek vereist en raden we minstens 500 liter water per hectare aan.

6. Advies bij de oplossing van de tabletten GIBB 3

De tabletten dienen in ca. 5 liter water gedurende ca. 15 minuten opgelost te worden. Daarna de oplossing in de spuittank brengen, voldoende roeren en binnen 4 uren verspuiten.

Actieve stof

Gibberellinezuur (GA3)

Werkingswijze

De actieve stof gibberellinezuur (GA3) werkt als een groeiregulator vanwege zijn fysiologische en morfologische effecten bij extreem lage concentraties. Gibberellinezuur wordt getranslokeerd. Over het algemeen werkt het enkel in op de plantendelen boven de bodemoppervlakte.

Gebruik volgens de Pesticide Manual

De actieve stof gibberellinezuur (GA3) heeft tal van toepassingen, o.a.

  • Het verbeteren van de vruchtzetting bij clementines en peren (vooral Williams peren);
  • Het verhogen van de moutkwaliteit bij gerst;
  • Het produceren van beter gekleurde en hardere vruchten en het verhogen van de vruchtmaat bij zoete kersen;
  • Het versnellen van de bloei en het verhogen van de opbrengst bij aardbeien;
  • Een heel gamma toepassingen in de sierteelt
  • Meer toepassingen

De dosissen van gibberellinezuur (GA3) situeren zich rond 80 g/a per behandeling, afhankelijk van het gewenste resultaat.

Beschikbare formuleringen

Globachem kan u de volgende formuleringen aanbieden, gebaseerd op het actieve ingrediënt gibberellinezuur (GA3):

  • Gibberellinezuur 10 TB (gibberellinezuur 10% w/w) – tablet
    Commerciële naam: GIBB 3

Gebruiksaanwijzing

Op dit moment is GIBB 3 verkrijgbaar in België, Duitsland, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk.

De gebruiksaanwijzing volgens het officiële etiket:

  • België: GIBB 3 (10% gibberellinezuur GA3) – in het Nederlands of het Frans
    • Gebruik bij peren
    • Gebruik in de erwtenteelt
    • Gebruik in rabarber
  • Duitsland: GIBB 3 (10% gibberellinezuur GA3) – in het Duits
    • Gebruik bij peren
    • Gebruik bij wijndruiven
  • Luxemburg: GIBB 3 (10% gibberellinezuur GA3) – in het Frans
    • Gebruik bij peren
    • Gebruik bij wijndruiven
  • Verenigd Koninkrijk: GIBB 3 (10% gibberellinezuur GA3) – in het Engels
    • Gebruik bij peren

Info parthenocarpie peren

Achtergrond bij parthenocarpie

"Parthenocarpie" noemt men de eigenschap van vele cultuurplanten om zaadloze vruchten te ontwikkelen zonder bevruchting van de bloemen. Parthenocarpie komt veel voor en heeft in vele fruitsoorten een grote economische betekenis, zoals bv. bij tafeldruiven, sinaasappels, ananas en andere. Parthenocarpe vruchten zijn steeds zaadloos.

Het ontstaan van zaadloze vruchten is sterk afhankelijk van de voedingstoestand van de boom, van de soort en van de weersomstandigheden tijdens de bloei. De tendens tot parthenocarpie varieert ook sterk naargelang de fruitsoort en variëteit. Bij appel is deze eigenschap niet zo uitgesproken, waardoor je een aanplanting vaak verschillende variëteiten nodig hebt om tot kruisbestuiving te komen.

Onder de perenvariëteiten komt parthenocarpie beduidend vaker voor en kan in sommige jaren een sterke economische betekenis hebben. Late nachtvorsten tijdens de bloei beschadigen vaak de gevoelige bloeiorganen, de stijl en de zaadknop. Toch hebben enkele perensoorten, die in staat zijn om parthenocarpe vruchten te ontwikkelen, het vermogen om ook onder deze bloeiomstandigheden vrij goede oogsten te bekomen. Zo treft men parthenocarpie vaak aan in de hoogstamgebieden van Oost-Zwitserland. Hoewel op veel plaatsen meestal uitsluitend triploïde perensoorten met een uitgesproken pollensteriliteit aangeplant zijn, toch geven ze vaak oogstrijke oogsten. Bijvoorbeeld een bevruchtingsonderzoek (Krapf 1972) met de hoogstamsoort “Gelbmöstler” toont duidelijk dat een geschikte bestuiver de opbrengsten beduidend kan verhogen. De gekende hoge opbrengsten van deze variëteiten zijn voor het grootste deel toe te schrijven aan de sterke neiging tot parthenocarpie. Door bestuiving met de vreemde diploïde pollen van de soort "Williams" was de vruchtzetting in vergelijking met zelfbevruchting tot 3 maal hoger.

De vorming van parthenocarpe vruchten bij peren kan bevorderd worden door een behandeling met groeiregulatoren. Deze geven echter vaak een afwijkende vruchtvorm. In aanplantingen met ongunstige bevruchtingsomstandigheden of na lentenachtvorst kunnen groeiregulatoren een mogelijke vervanging voor de natuurlijke bevruchting zijn. Tegelijkertijd zal men bij nieuwe aanplantingen voldoende bestuivers aanplanten, zodat een voldoende kruisbestuiving gegarandeerd wordt.

In aanwezigheid van gibberellinen wordt de ontwikkeling van parthenocarpe (zaadloze) vruchten zonder voorafgaande bevruchting mogelijk gemaakt. Gibberellinen bevorderen de auxinevorming en de kieming. Zij onderdrukken de bloemknopontwikkeling.

De voortplantingsorganen zijn bij alle fruitsoorten zeer vorstgevoelig en worden bijgevolg vaak door lentenachtvorst beschadigd. Vermits de embryo’s een grote betekenis hebben voor de vruchtontwikkeling, heeft hun beschadiging tot gevolg dat er geen vruchten meer gevormd worden (embryo’s ontwikkelen zich pas na de bevruchting).

Veel cultuurplanten hebben de mogelijkheid vruchten te vormen, ook zonder bevruchting van de bloemen en zonder vorming van een embryo. Dit noemt men parthenocarpie. De vruchten bezitten geen zaadjes, hetgeen bv. bij tomaten en citrusvruchten enkel een voordeel kan zijn.

Onderzoek (Luckwill 1959, 1961, 1962, Modlibowska 160 e.a.) met auxinen tonen hun bevorderende werking bij de vorming van parthenocarpe vruchten. Op die manier kunnen de embryo’s door de toegevoerde groeistoffen vervangen worden. Door de toepassing van deze stoffen op snoeiwonden van verwijderde stijlen van talrijke planten bereikt men zonder voorafgaande bevruchting volledig ontwikkelde vruchten. Gibberellinezuur GA3 behaalt hierbij het beste effect. Bij sommige perenvariëteiten kan de toepassing van deze groeiregulator economisch zijn. Anderzijds zijn er ook soorten waarbij ten gevolge van vergroeiing van de gestimuleerde vruchten er geen verbetering te verwachten is. Bij appel is men er tot op heden nog niet in geslaagd om parthenocarpe vruchten te vormen met behulp van groeiregulatoren. Vermits het toch waardevol zou zijn, ook bij deze fruitsoort na lentenachtvorst tijdens de bloei de oogst te redden, loont het zich om verder onderzoek uit te voeren.

Na lentenachtvorst bij peren geven bespuitingen in de volle bloei de meeste kans om zaadloze vruchten te induceren (volgens Luckwill). Er bestaan echter grote verschillen tussen de variëteiten. De toe te passen dosis is niet voor alle variëteiten dezelfde. Dit bemoeilijkt natuurlijk de praktische toepassing.

De oorzaak voor deze verschillen ligt vermoedelijk in het feit dat de bladeren zich op het moment van de volle bloei niet dezelfde ontwikkelingsfase bevinden. Hoe groter de bladoppervlakte, hoe meer stoffen opgenomen worden. Vermits gibberellinezuur overwegend door de bladeren geabsorbeerd wordt, moet bij de variëteiten waarvan de bladoppervlakte het kleinste is, de grootste concentratie toegepast worden. Zo is het ook aan te raden om in percelen met veel bloemen hogere dosissen toe te passen dan in percelen met weinig bloemen, vermits bomen met weinig bloemen veel sneller in blad komen en dus op het moment van de volle bloei een grote voorsprong hebben in de bladontwikkeling.

De ongelijke werking van groeiregulatoren kan soms ook te wijten zijn aan het verschil in ernst van de vorst. De ervaring leert ons dat bij sterkere schade door lentenachtvorst, de gibberellinen de vorming van parthenocarpe vruchten minder op gang brengen dan bij lichte schade aan de bloesems. Enkele soorten, zoals bv. Doyenné reageren meestal slecht op een behandeling met gibberellinen.

Vermits behandelingen met gibberellinen de scheutgroei bevorderen, wordt vaak de bloemknopvorming voor het volgende jaar te sterk geremd.

 

Bron:

R. Schumacher, Die Fruchtbarkeit der Obstgehölze, Seite 23-24, 51-52, 198-99

Info azijnrot druiven

Achtergrond van azijnrot bij druiven

Azijnrot gaf de laatste jaren in de Duitse wijnbouw meer en meer problemen. De soorten die door azijnrot aangetast worden zijn niet alleen de compacte Burgundersoorten, maar ook in belangrijkere mate Sauvignon, Gewürztraminer en andere soorten. Naast de zeer gevoelige, lage wijngaarden, werd azijnrot de laatste jaren ook in de vastgesteld in de iets hoger gelegen wijngaarden..

Verspreiding en belang van azijnrot, Penicillium en andere

De grootste verwekkers van rot bij rijpende druiven zijn de schimmels, gisten en bacteriën. In hoofdzaak gaat het om verwekkers die zich vestigen op mechanisch beschadigde of gebarsten duiven of op druiven die tijdens de rijping losgeduwd worden (bij compacte trossen). Vaak ontwikkelt zich secundair ook nog rot door Botrytis of witziekte.

Tijdens de wijnbereiding veroorzaken zij veel grotere problemen dan Botrytis. Reeds een zeer klein percentage rotte bessen (minder dan 1%) kan later in de wijn sensorisch duidelijk waargenomen worden. Deze wijnen worden als onzuiver, schimmelig of muf, alsook bitter gekarakteriseerd. Een sterke besmetting van de druiven door ongewenste gisten en bacteriën bemoeilijkt de wijnbereiding. Het gehalte ongewenste stofwisselingsproducten van deze micro-organismen, in het bijzonder azijnrot, is hoger en kan tijdens de gisting nog toenemen, wanneer de halfgegiste jonge wijn niet gepasteuriseerd wordt. Het gevaar bestaat dat de wijn naar azijnrot ruikt of dat het wettelijke maximumgehalte van vluchtige zuren (azijnrot) overschreden wordt.

Schadebeeld van azijnrot
Schadebeeld van azijnrot

Een aantasting met azijnrot breidt zich nestvorming uit, ook naar gezonde druiven. De aangetaste druiven verkleuren roodbruin. De druiven worden inwendig zeer snel hol, terwijl de vruchthuid nog een intacte druif doet vermoeden. Er treedt een intensieve azijngeur op. Vaak zitten er azijnvliegen (Drosophila melanogaster) op de druiven en hun larven (ca. 2 mm grote witte maden) zijn terug te vinden in de delen die reeds het langst aangetast zijn.

Biologie

Alle voornoemde verwekkers van rot leven overwegend saprofytisch (op dood materiaal) en zijn ook op de oppervlakte van gezonde druiven vaak vast te stellen. Hun pathogeniteit, d.i. hun capaciteit om een ziekte op te wekken is normaal relatief gering. De schade uit zich bijgevolg meestal in beschadigingen of afgestorven delen (necrosen) aan de duiven of stelen.

De schadeverwekkers kunnen, bij een sterke vermeerdering op afgestorven weefseldelen, ook gezonde cellen afdoden. Bij een langere aantasting door de Botrytisschimmel, ontwikkelen zich in de aangetaste druiven daarbovenop ook nog andere schimmels, zoals Rhizopus- en Trichothecium-soorten, alsook gisten en bacteriën. De belangrijkste oorzaken voor beschadigingen zijn insecten die aan de druiven eten (bv. bladroller, wespen), witziekte, mechanische schade, bv. door hagel of fysiologische schade (zonnebrand, Bacchus-ziete).

Niettemin zijn ook microskopisch kleine scheurtjes in de rijpe druiven voldoende. Zulke scheurtjes ontstaan bij hoge neerslag bij compacte soorten, dichtbij de steel door een tegengestelde druk van de druiven, of bij dunwandige soorten bij toenemende rijping ook op andere plaatsen op de druivenschil.

Bij koud weer ontwikkelt zich normaal gezien Botrytis; bij vochtig, warm weer daarentegen Penicillium en opwekkers van azijnrot. Meestal verschijnen daarnaast ook nog verschillende micro-organismen (gisten, bacteriën). Op de druiven, die door azijnrot aangetast zijn, vestigen zich graag Drosophila-vliegen, waarvan de larven de intern gistende druiven uitvreten. De vliegen dragen op die manier bij tot een verdere uitbreiding van micro-organismen.

Maatregelen

De kolonisatie van beschadigde, rijpe druiven door o.a. micro-organismen kan door de inzet van fungiciden niet verhinderd worden. Alle maatregelen richten zich enkel tot een preventieve voorkomen van beschadigingen. Enerzijds is er de verhindering van bladroller- en witziekteschade, zoals maatregelen tegen het vroege optreden van Botrytis en anderzijds een gepaste, vroege ontbladering van de druivenzone.

Een belangrijk doel is ook de vermindering van de druivengrootte, om het scheuren van de druiven aan de steel te vermeiden. Dit laatste kan gereduceerd worden met bepaalde maatregelen, die een te sterke groei tegengaan (weinig stikstof, groen onder de struiken). Indien er een oogstregulering uitgevoerd wordt, dan wordt deze best laat uitgevoerd (bij het begin van de rijping), daar, bij een vroege oogstreductie, de overblijvende druiven groter en compacter worden. Om het afdrukken van de druiven bij de compacte soorten te vermeiden, kan men ook nog, als oogstregulerende maatregel, de trossen halveren (voor het mals worden).

Wanneer rijpe druiven beschadigd worden, barsten of zich afdrukken ter hoogte van de steel, moeten de druiven zo snel mogelijk geoogst worden. Druiven, aangetast door azijnrot, alsook aangetast door Penicillium, Trichothecium of Rhizopus, moeten consequent uitgesorteerd worden.

Oorzaken en opwekkers van azijnrot

Azijnrot bestaat wanneer suikerbevattend vruchtensap vanaf het begin van de rijping begint te gisten door azijnzuurbacteriën en wilde gisten.

Vermits een directe bestrijding van opwekkers van azijnrot niet mogelijk is en de bij azijnrot voorkomende azijnvliegen enkel een ondergeschikte rol spelen bij de uitbreiding van de ziekte, kan enkel door indirecte maatregelen de schade gereduceerd worden. Deze maatregelen richten zich erop om de druiven te beschermen tegen beschadigingen door bladrollers, Botrytis of witziekte, daar de opwekkers van azijnrot niet bij machte zijn de druivenschil direct aan te tasten.

Preventieve maatregelen - bestrijding

Een directe bestrijding van de opwekkers van azijnrot is niet mogelijk. Enkel kan de schade via indirecte maatregelen gereduceerd worden.

  • Tijdig uitvoeren van de loofbehandeling – matige ontbladering van de trossenzone
  • Verhindering van druivenbeschadigingen
  • Bij compacte soorten de druivenuitdunning enkel bij het begin van de rijping van de druiven uitvoeren, om het afdrukken van de bessen te verminderen
  • Een late stikstofmobilisering
  • Verminderen van de infectiemogelijkheden door bestrijding van Botrytis

Zeker bij de compacte Burgunderdruiven ontstaan desondanks vanaf het begin van de rijping door het afdrukken van individuele druiven, de fijnste beschadigingen, waaraan druivensap naar buiten dringt. Daardoor kan ook bij gezonde trossen azijnrot optreden.

Om het losser zitten van de trossen te bevorderen, worden in de laatste jaren proeven met gibberellinpreparaten uitgevoerd.

Hoe werken gibberellinen?

Gibberellinen zijn plantenhormonen, die fysiologische processen, in het bijzonder de strekkingsgroei beïnvloeden.

In de tafel- en wijndruiventeelt wordt hoofdzakelijk GA3 ingezet, omwille van zijn goede werking bij de bloemrui.

Wanneer gibberellinezuur op de twijgen ingezet wordt tussen het begin van de bloei en de afgaande bloei, dan beïnvloedt het de bevruchting. De getroffen druiven worden afgestoten.

Als gevolg van deze behandeling wordt ook de grootte van de druiven verhoogd. In de literatuur vindt men aanwijzingen dat vroege behandelingen met gibberellinezuur ook tot een langere steeltjes leidt en, als negatief nevenverschijnsel bij de betreffende soorten, ook tot een vermindering van de vruchtzetting tijdens het volgende jaar.

Schwarzriesling, behandeld met GIBB 3
Schwarzriesling, behandeld met GIBB 3

 

Bronnen:

  • Hill, G., Hill, M.: Qualitäts- und Ertragssteuerung über Pflanzenstärkungsmittel?
  • Hill, G., Hill, M., Butterfass, J. (2003): Kleiner, weniger, besser?, das deutsche Weinmagazin, 19/13, September 2003, S. 32-35
  • Hofmann, H. (2004): Traubendesign für Fäulnisprevention, Rebe & Wein, 05/04, S. 14-17
  • Huber, B. (2003): Ergebnisse aus Versuchen zur Fäulnisvermeidung an Trauben, 8. Freiburger Rebschutztag, 3. Dezember 2003
  • Huber, B., Bleyer, G. (2004): Neuansätze zur Vermeidung von Fäulnis an Trauben, Der Badische Winzer, Mai 2004, S. 46-49
  • Kast, W.K., Fox, R., Schiefer, H.-C., Häußer, S., Weis, M. (2004): Neue Ansätze zur Steigerung der Weinqualität bei Schwarzriesling, http://www.landwirtschaft-mlr.baden-wuerttemberg.de/la/lvwo/Veroeff/weinqualitaetssteigerung2.htm
  • Kast, W. K. (2004): Essigfäule, Penicillium und Co., http://www.landwirtschaft-mlr.baden-wuerttemberg.de/la/lvwo/Veroeff/essigfaeule.htm
  • Petgen, M., Götz, G. (2004): Ausdünnen: Ein Muss für jeden Winzer?, Der Deutsche Weinbau, 30.04.2004, Nr. 9, S. 50-54
  • Petgen, M. (2004): Möglichkeiten und Grenzen des Einsatzes von Gibberellinen, 57. Weinbautage 2004
  • Petgen, M. (2004): Erfahrungen zum Gibberellin-Einsatz 2003 in der Pfalz, Was bringen Gibberelline?, das deutsche weinmagazin, 3/7, Februar 2004, S. 28-32
  • Roschatt, C., Haas, E. und Pedri, U. (2003): Der einsatz von Gibberllinen im Weinbau gegen Essigfäule, Obstbau Weinbau 4/2003, S. 114-117
  • Rebschutzdienst Österreich (2004): Essigfäule, http://www.rebschutzdienst.at/Krankh_Schaedlinge/
  • Kr_Sch_Beschr_Bilder/04_Essigfaeule/essigfaele.htm

Veelgestelde vragen